De westerse media zien de Palestijnse burger graag als terrorist of als slachtoffer. De kunstenaars die in de bezette gebieden opereren, weerleggen deze stigmatisering eenvoudigweg met hun werk. Kunst bedrijven in tijden van oorlog is niet gemakkelijk maar evenmin als bij ons een luxe. In het kader van het Informal European Theatre Meeting-project ‘100 Artists in Palestine' bezochten Els Opsomer, Herman Asselberghs en Pieter Van Bogaert de steden Ramallah, Jeruzalem en Gaza City en praatten er met filmmakers, choreografen, beeldend kunstenaars en cultuurwerkers die hun creativiteit niet aan banden laten leggen. Een reeks van zes ‘artistieke portretten', wekelijks in Tijd-Cultuur, als vredesdividend in de heersende Golfcrisis.

(voorjaar 2003)

 

 

Emily Jacir

Volgens een Israëlische wet heeft elke jood, waar die ook woont op aarde, het recht om zich in Israël te vestigen – ook al is hij daar nog nooit geweest. Palestijnen die in 1948 hun huizen en gronden verlieten, op de vlucht voor het Israëlische leger, hebben geen recht om terug te keren. Vorig jaar, rond Valentijn, verschenen in de New Yorkse krant The Village Voice regelmatig zoekertjes van sexy Palestijnsen op zoek naar joodse partners om samen naar het beloofde land te trekken. ‘Palestinian F seeks fellow Semite Jewish M to Salsa our way into Israel ', zo ging het. Of ‘Shalom, Baby! Cute Palestinian gal. Hoping to find my perfect Israeli man for love in Jerusalem .' Of grimmiger: ‘You stole the land, might as well take the women.'

De golf van Semitische lokroepen werd na 11 september 2001 met de nodige argwaan benaderd. Toch zijn ze geen onderdeel van een terroristisch complot, zoals sommige Amerikaanse kranten speculeerden. Ze zijn het resultaat van een verlangen om terug te keren, en behoren tot een werk van de Palestijnse kunstenares Emily Jacir. Sexy Semites was de titel, want Jood of Palestijn, semieten zijn het allebei. En sexy ook, als het moet.

Emily Jacir leeft tussen New York en Ramallah. Met haar Amerikaans paspoort geniet ze een grotere bewegingsvrijheid dan haar Palestijnse vrienden en familie. Elke stad, elk dorp op de Westelijke Jordaanover of in de Gazastrook is een eiland, omringd door checkpoints, prikkeldraad, tanks en militairen. Overal controleren Israëlische soldaten de bewegingen van miljoenen Palestijnen. In de Palestijnse gebieden zijn er meer dan tweehonderdvijftig Israëlische grensovergangen waar je zonder het juiste paspoort niet voorbij komt. En er zijn veel verschillende paspoorten die de zaak compliceren – de Palestijnse zijn de slechtste. Zo raakt iemand die in Antwerpen woont gemakkelijker in Jeruzalem dan iemand die acht kilometer verderop woont in Beit Jala.

Voor Where we come from – (im)mobility vroeg Emily Jacir aan andere Palestijnen wat ze zouden doen als ze haar paspoort hadden. Een man uit Gaza die al zeven jaar in Ramallah woont en al die tijd gescheiden leeft van zijn familie, vroeg haar om een kus te geven aan zijn grootmoeder in Gaza. Een meisje met Syrische vluchtelingenpapieren vroeg haar om water te drinken in het dorp van haar ouders. Een man uit Bethlehem vroeg haar een bezoek te brengen aan het graf van zijn moeder in Jeruzalem, amper tien kilometer verderop. Iemand anders om een oude rekening te vereffenen en nog iemand anders om een fles Arak mee te brengen. Emily deed het en maakte er foto's van.

Emily Jacir laat de Palestijnen mee genieten van de realiteiten die buiten de bezette gebieden. Als ze een internationale oproep lanceert om mee te doen aan het Palestine International Video Festival, is het belangrijkste criterium voor selectie dat de producties niet over het Palestijns-Israëlisch conflict gaan. Alles wordt in het werk gesteld om de Palestijnen te laten zien dat er ook een andere realiteit mogelijk is dan deze die ze al die jaren zelf moeten ondergaan.

De Palestijnen hebben de behoefte om te reizen en een ander stukje van de wereld te zien, ook al kunnen ze hun steden, of zelfs hun huizen, niet verlaten. Tijdens de voorbereidingen voor het festival zit het hele sociale leven op de Westelijke Jordaanoever geblokkeerd door een systeem van avondklokken die op strategische momenten opgeheven worden. Daarom bedacht Emily een andere formule: de tapes verdelen op videocassettes en vertonen in de huiskamers van de Palestijnen. Tijdens momenten zonder avondklok kunnen ze de cassettes van huis tot huis doorgeven. Leven onder de bezetter vraagt wat inventiviteit. En kunstenaars in tijden van oorlog zijn geen luxe.

 

Omar Barghouti

Ramallah, november 2002. Het is een bijzondere avond in de administratieve hoofdstad van de Westelijke Jordaanoever. In de gemeentelijke feestzaal staat de première van Palestinian Folk Vista op het programma, de nieuwste dansvoorstelling van Bara'em El-Funoun – de jeugddivisie van de El-Funoun Palestinian Popular Dance Troupe – in een choreografie van Omar Barghouti. De zaal zit afgeladen vol met driehonderd ouders, zusjes, broers, nichten, neven en vrienden van de jonge performers die de afgelopen maanden menige avondklok overtraden om naar de repetities van het stuk te komen.

Ik kijk en luister met de nodige reserves naar de kleurrijke vertoning: El-Funoun promoot het Arabisch-Palestijnse erfgoed in traditionele muziek en dans en het moet gezegd dat folklore ver afstaat van mijn educatie in (Westerse) moderne dans. Maar al vlug winnen energie en uitstraling van de professionele dansers en muzikanten het van mijn cultuureigen bezwaren. Tussentijdse applaussalvo's en een staande ovatie aan het eind bewijzen de kracht van de folklore ten tijde van de bezetting. De vele naïeve verwijzingen naar het land en de natuur van weleer vallen misschien moeilijk naar een Europees podium te vertalen. Hier betekenen ze de triomfantelijke affirmatie van vitaliteit en identiteit. Geen geringe verdienste voor een volk dat tot aan de Oslo-akkoorden in 1993 zijn driekleur niet mocht hijsen.

Brussel, december 2002. Op uitnodiging van IETM geeft Omar Barghouti een lezing over El-Funoun. 's Namiddags praten we over de weinig rooskleurige situatie in Palestina. Hij vertelt over zijn meest recente wedervaren aan Qalandia, het permanente Israëlische checkpoint voor wie Ramallah in- en uitgaat. Bij paspoortcontrole kan hij zich zonder uitzondering aan een speciale behandeling verwachten, want de Barghouti's vormen een rijzige Palestijnse familieboom met uitgesproken politieke vertakkingen. De soldaat die Omars papieren inkijkt en naar de reden van zijn afreizen vraagt, denkt dat hij voor de gek gehouden wordt. Hoe kan het dat een Palestijn in Europa uitgenodigd wordt voor een lezing over dans? Bestaan er dan Palestijnse dansers? Zoals zovele Israëli's en Europese tv-kijkers kan deze jonge rekruut zich alleen Palestijnse terroristen en Palestijnse slachtoffers inbeelden. De choreograaf weet deze hardnekkige stereotypering ondertussen krachtig te weerleggen, in woord en daad.

Dansen onder de oorlog? Die vraag kreeg Barghouti ook eerder voorgelegd van een Belgische delegatie kunstenaars op bezoek in de bezette gebieden. Hij had er zelf nooit bij stilgestaan dat zijn artistieke praktijk als een anomalie kon gezien worden. Zijn kordate antwoord luidt: heropbouw geldt niet alleen voor vernielde gebouwen en wegen maar net zo goed voor stukgeslagen dromen en verwoeste levens. Dansen ontkracht de ontmenselijking die de bezetter dag in dag uit oplegt. Dansen bouwt mee aan de dekolonisatie van de Palestijnse geest. En inderdaad, de kinderen in Barghouti's dansgroep presenteren zichzelf niet als slachtoffers, maar als volwaardige en vrije individuen die solidariteit en steun eisen.

Misschien werkt Omar Barghouti op dit moment verder aan zijn doctoraat. Door de verhevigde Israëlische repressie kon hij zich daar het voorbije jaar niet op concentreren. De oorlog in Irak zal er ook geen goed aan doen. Als doctoraal student schreef hij zich namelijk in aan de filosofiefaculteit van… Tel Aviv University. Zijn onderzoeksvoorstel gooide er zo grote ogen dat zijn eisen ingewilligd werden. Hij werkt thuis want verplaatsing kost hem als Palestijn veel te veel tijd en hij schrijft in het Arabisch want hij weigert de taal van de kolonisator tot de zijne te maken. Zijn onderwerp: de ethische argumentatie voor de ‘one state solution' of de oprichting van één enkele seculiere, democratische staat waarin zowel Palestijnen als Israëli's het burgerschap kunnen claimen. Dat provocerende staatsmodel stuit momenteel in beide kampen op afwijzing, maar Barghouti is vastberaden om het idee te planten als een zaad voor een toekomst waarin een Palestijn ook gewoon een danser kan zijn.

Omar Barghouti schrijft regelmatig bijdragen voor de politieke internettijdschriften Z-Magazine ( www.zmag.org ), Counterpunch ( www.cpunch.org ) en Palestinian Media Watch  ( www.pmwatch.org ). Meer informatie over El-Funoun Palestinian Popular Dance Troupe: www.el-funoun.org .

 

Azza El Hassan

‘Verborgen honger'. Zo noemt de Wereldgezondheidsorganisatie de micro-nutritionele tekorten van de Palestijnen. Het is de tol van twee jaar intifada, met verscherpte controleposten, beperkingen en uitgaansverboden. Door de slechte voeding missen de kinderen in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever een normale groei en ontwikkeling. Hun kenvermogen is vaak ernstig en onomkeerbaar aangetast. Hun immuniteitssysteem is in gevaar. Bij volwassenen en bij kinderen zijn de mentale en fysieke capaciteiten verzwakt. Soms leidt dit tot blindheid, soms tot de dood. In de meeste gevallen blijft het onzichtbaar. Behalve in statistieken die laten zien dat Palestijnse kinderen vandaag drie centimeter korter zijn dan vóór de intifada.

3 cm less is de titel van de nieuwste film van Azza El Hassan. Azza is één van de returnees, Palestijnen die na de verdragen van Oslo in 1993 terugkeerden naar hun land. Ze werd in 1971 geboren in Jordanië, verhuisde met haar familie naar Libanon waar ze zich als elfjarige al inzette als hospitaalvrijwilligster. In de jaren tachtig – toen de Israëli's Zuid-Libanon binnenvielen – gaat het opnieuw richting Amman, Jordanië. Na haar middelbare studies besluit Azza filmmaakster te worden en vertrekt ze alleen naar de filmschool in Londen. Sinds 1996 is Ramallah haar nieuwe leef- en werkplaats.

Ze behield haar Jordaanse paspoort, wat haar meer bewegingsvrijheid geeft dan de andere Palestijnen. Dat stukje papier en haar filmdiploma bezorgen haar ook een zekere verantwoordelijkheid tegenover haar landgenoten. Van iemand als Azza wordt verwacht dat ze aan de wereld laat zien wat er in het bezette land gebeurt. Kunstenaars in tijden van oorlog worden verondersteld te informeren.

Azza heeft daar haar eigen opvattingen over. Sinds de spectaculaire kapingen en aanslagen in de jaren zeventig wordt er al zoveel geïnformeerd over het Israëlisch-Palestijns conflict. Breng één van beide nationaliteiten in een zoekmachine op het internet en je krijgt honderden resultaten voor of tegen de ene of de andere partij. Na Washington heeft Jeruzalem de grootste concentratie journalisten ter wereld. Elke Palestijn die ooit beeld- of geluidsopnames maakte of kan dienen als gids of vertaler, vindt werk bij de buitenlandse berichtgevers. Waarover valt er nog te informeren?

Een groot deel van deze oorlog is onzichtbaar en speelt zich af in de straten en huizen van de Palestijnen, ver weg van de buitenlandse camera's. Zoals de hongersnood zonder gezwollen kinderbuikjes is het Israëlisch-Palestijns conflict een langzame uitputtingsslag. Je moet ofwel heel sterk zijn, ofwel heel zwak om niet te vertrekken en te ontsnappen aan de alledaagse pesterijen en ontberingen. De essentie van de vijftigjarige bezetting zit in kleine onspectaculaire dingen. Dingen die nooit het nieuws halen, maar wel bepalend zijn voor de Palestijnse realiteit en mentaliteit.

Azza kent die realiteit, ze is ermee groot geworden. Ze weet wat de Palestijnen nodig hebben. Ze helpt haar volk door afstand te nemen en beelden te projecteren van hun eigen herkenbare omgeving. Voor haar veelbekroonde film News Time filmde ze de mensen in haar straat tijdens de eerste maanden van de tweede intifada. Ze toont hoe de situatie inwerkt op relaties die al jarenlang standhouden. Relaties tussen geliefden, tussen familieleden, buren en kennissen. Ze volgt de kinderen voor haar deur, jongens uit de vluchtelingenkampen op zoek naar verzet. Ze kijkt naar zichzelf en hoe ze zelf omgaat met die realiteit en steun zoekt bij de mensen rond haar – gekende en ongekende.

De oorlogssituatie is zo overweldigend. De kleine momenten van geluk en liefde in Azza's films creëren een afstand tegenover het geweld van de spektakelmaatschappij. Azza ontwikkelt haar eigen overlevingsstrategie. Ze leert hoe te leven met de oorlog en de dood – met het verdwijnen, met de camouflage, met het onzichtbare.

 

Reem Abu Jabar

Klapband op de mooie Israëlische snelweg. De taxichauffeur die ons van Jeruzalem naar Gaza-Stad brengt, is zijn reservewiel vergeten en dus blijft het wachten op een nieuwe auto. Anderhalf uur nietsdoen aan de kant van de weg geeft ons tijd om het lege landschap van het Israëlische platteland te contempleren. Op deze sabbatnamiddag is het extra rustig. Er zijn meer wielertoeristen dan auto's. Het is ongetwijfeld goed vertoeven in dit Israël: het geweld in de steden lijkt ver weg en er is plaats zat.

Twee uur later. We belandden in een andere wereld, in de derde wereld om precies te zijn. Sinds de Erez-grensovergang met Gaza veranderde het landschap in zijn absolute tegendeel, als een decor dat plots omklapte. Stoffig, vuil, arm, volgebouwd, overbevolkt, inslagen van kogels in alle gevels, gewapende soldaten in de straten, anti-Israëlische en anti-Amerikaanse graffiti op de muren, kleurrijke plakkaten ter ere van martelaars hoog boven het voetpad. Dit is de grootste Palestijnse stad, het centrum van de smalle Gazastrook die korter is dan de Belgische kust en in de breedte nog niet tot aan Brugge reikt. In deze openluchtgevangenis (want hermetisch afgesloten door het bezettingsleger) leven officieel een miljoen Palestijnen. Officiële cijfers zijn er om gecorrigeerd te worden: het bevolkingsaantal ligt wellicht een kleine helft hoger, maar zeker is dat deze mensen het moeten stellen met twee derden van de kuststrook. Het overige derde gaat naar de zesduizend Israëlische kolonisten die naast hun nette optrekjes in het midden van dichtbevolkte Palestijnse gebieden ook een apart wegennet (slegs vir kolonisten), legerposten en fire zones nodig hebben om hun veiligheid te garanderen.

De harde data waren ons bekend, maar nu we ze ter plekke uit de mond van Reem Abu Jabar horen, krijgen ze concreet gestalte. We staan in het midden van de stad op een bouwwerf die over een jaar het Al-Qattan Center for the Child moet worden. Reem is projectleider en toekomstig directeur van deze ambitieuze onderneming op kosten van de in Londen gevestigde A.M. Qattan Foundation . De stichting draait op geld van een Palestijnse miljardair-bouwpromotor die als mecenas optreedt voor culturele, educatieve en wetenschappelijke ontwikkeling van de Arabische en in het bijzonder de Palestijnse volkeren. Het kindercentrum zal huizen in het grootste moderne gebouw in Palestina met een grote bibliotheek, een multifunctionele animatieruimte, een multimedia-afdeling, een speeltuin, een park, en een satelliet-uitleenprogramma dat de jongsten in de meest afgelegen en onderkomen streken van de Gazastrook van boeken moet voorzien.

In de stad zullen peuters, kleuters en jonge tieners (van 0 tot 15 jaar) terechtkunnen in een open centrum, gratis toegankelijk voor moslims, christenen én joden. Die laatsten zullen natuurlijk niet zo gauw aan de deur komen kloppen, maar alleen al het kordate mission statement duidt op de radicaal onafhankelijke strekking van dit peperdure project. Reem beschouwt het centrum als een vitale injectie in het geteisterde stadsweefsel, als een welkom model voor opvoeding en onderwijs. Ook al is ze van mening dat het vooral de oudere Palestijnse generaties zijn die onderwezen moeten worden in vormen van samenleven. Het centrum mikt op de toekomst: de kinderen zullen zichzelf leren (het programma beoogt geen educating maar learning) hoe ze uit het probleem kunnen ontsnappen in plaats van uit de stad of het land. In het Al-Qattan Center for the Child zullen de Palestijnse dokters, advocaten of schrijvers van morgen hun eerste boeken en websites inkijken.

Aan potentiële bezoekers, uitleners en gebruikers geen gebrek: in Gaza wonen 750.000 kinderen jonger dan 18 jaar. Reem weet dat er alleen al in de stad, binnen loopafstand, 150.000 kinderen (en hun ouders) wachten op de opening van het centrum. Terwijl ze vertelt, moeten we een stap opzij zetten. Ook al is het zaterdag, toch wordt er naarstig gewerkt want het isolatiemateriaal is vanmorgen na vier maanden oponthoud aan de grens eindelijk door de Israëli's vrijgegeven. De lijst van structurele tegenwerking en demotivatie is lang, maar Reem weet ‘dat Palestijnen als water zijn: ze zoeken hun weg langsheen elk obstakel.' Zelf had ze er na zes jaar frustratie bij UNRWA (United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East) bijna de brui aan gegeven. Haar emigratievisum lag klaar bij de Canadese ambassade, maar de sollicitatie voor deze leidinggevende job in de Qattan Foundation werd meteen een roeping. Sindsdien is ze vastbesloten om de toekomst van Palestina niet aan Sharon en ook niet aan Arafat over te laten.

Informatie over A.M. Qattan Foundation en het Al-Qattan Center for the Child in Gaza-Stad: www.qattanfoundation.org .

 

Jack Persekian

‘Killing and getting killed.' Dat is volgens Jack Persekian de hoofdbezigheid van de betrokkenen in het Israëlisch-Palestijns conflict. Zelf ziet deze Palestijnse inwoner van Jeruzalem het liever iets anders. Bij een kopje Turkse koffie en Libanese zoetigheden, geserveerd in zijn galerij in het hartje van de oude stad, vat hij zijn persoonlijke strijd tegen de Israëlische bezetter voor ons samen.

Niet wijken is een strategie. Met zijn Amerikaanse paspoort had Jack, net als zijn broers en ouders, kunnen vertrekken na de breuk van 1967, maar hij bleef. Het was toen dat Jeruzalem opgedeeld werd in een westelijk deel voor de joodse inwoners en een Oostelijk waar Joden en Palestijnen van oudsher naast elkaar leefden. Met dat verschil dat er sinds 1967 alles aan gedaan werd om de Joden met staatssteun de stad in en de Palestijnen langs bureaucratische weg de stad uit te krijgen. Palestijnen die de middelen hadden, vertrokken al veel vroeger naar het buitenland, na 1948 – het jaar van de Israëlische onafhankelijkheid. Ze vluchtten begrijpelijkerwijs voor de wapens van de Israëli's, in de hoop op een spoedige terugkeer. De achterblijvers waren arm en meestal laag geschoold. Of hypergemotiveerd, zoals Jack.

Denken aan de toekomst en wars van de alledaagse beslommeringen en pesterijen blijven strijden voor een ruime culturele vorming is een andere strategie. En dus opende Jack in 1992 zijn galerij voor hedendaagse kunst. Daar toont hij werk van bekende en minder bekende Palestijnse kunstenaars als Mona Hatoum of Emily Jacir naast werk van hun internationale collega's.

Het was net voor de Oslo-akkoorden van 1993 en Jeruzalem was toen nog altijd het centrum van het Palestijnse kunstgebeuren. Een jaar later zou alles veranderen. Dankzij Oslo ‘kregen' de Palestijnen een eigen ‘autoriteit' en een nieuwe administratieve hoofdstad: Ramallah. Wat ze er ook bij kregen waren grenzen. Vroeger konden ze vrij reizen in een agglomeratie die zich uitstrekte van Bethlehem via Jeruzalem naar Ramallah. Nu kwamen er checkpoints die de grenzen controleren tussen de Palestijnse autonome gebieden – een nieuwe naam voor de steden op de Westelijke Jordaanoever – en het door Israël gecontroleerde niemandsland daartussen. Een ritje van het centrum van Jeruzalem naar Ramallah duurde voor 1993 hooguit twintig minuten. Enkele bijeenkomsten in Oslo en zeven nieuwe checkpoints later minstens een uur.

Autonomie onder Arafat bracht de Palestijnen allesbehalve dichter bij elkaar. Met de officiële instanties verplaatste ook het centrum voor de hedendaagse kunst zich na 1993 noodgedwongen van Jeruzalem naar Ramallah, ook al had de nieuwe Palestijnse Autoriteit amper interesse voor kunst en cultuur. Vroeger was Ramallah Jacks tweede thuis. Nu kunnen alleen de joodse inwoners van Jeruzalem nog spreken van een ‘hinterland'. Palestijnen in Israël leven onder aan de sociale ladder, maar hebben het nog altijd beter dan hun landgenoten in de geïsoleerde gebieden. Door hun buren in de ‘autonome' gebieden worden ze wel eens collaborateurs genoemd. Ze kunnen hier bijvoorbeeld naar de (Israëlische) kunstscholen gaan die in de Palestijnse steden bijna volledig ontbreken.

Denken aan de toekomst, betekent in de eerste plaats denken aan de jeugd. Ook dat principe maakte Jack tot een van zijn persoonlijke strategieën. In 1997 startte hij met de Al-Mamal Foundation for Contemporary Art, een organisatie voor vorming en presentatie van Palestijnse kunst. Bij ons bezoek aan Al-Mamal, om de hoek van zijn eigen galerij, waren kinderen aan het werk met verf en klei, om een tentoonstelling van eigen werk voor te bereiden. In normale omstandigheden komen kinderen op een natuurlijke manier in aanraking met kunst door musea te bezoeken of door lessen op school. Niet zo voor de Palestijnse kinderen. De vijfendertig deelnemers van deze workshop hadden nooit eerder olieverf of zelfs verfborstels gezien. Het leven in Oost-Jeruzalem wordt er zeker niet makkelijker op, maar Jack zet door. Hij is er van overtuigd dat het moet beteren, ‘ook al slaat de realiteit je elke dag weer in het gezicht'.

 

Raed Andoni

Eén tv-beeld dat rond kerstmis 2000 de gruwel van de tweede intifada symboliseerde, staat diep in het collectieve geheugen gegrift. Het is de sequentie waarin het Palestijnse jongetje Muhammad al-Durra aan de zijde van zijn vader tevergeefs dekking zoekt voor hevig kruisvuur en het leven laat onder Israëlische kogels. Filmmaker Nazir Hassan en zijn producent Raed Andoni kregen deze nieuwsbeelden van een filmfestival voorgeschoteld om er ‘een visueel statement' over te maken. In plaats van de zoveelste recuperatie van dezelfde beelden, maakten ze een kortfilm over de moeilijkheden van filmen in Palestina. Challenge of hoe een film maken met schokkende tv-beelden die al de hele wereld rondgingen? Hoe een film maken als checkpoints en paspoortcontroles samenwerken onmogelijk maken? Hoe een film maken in tijden van oorlog en bezetting?

Moeilijk gaat ook. Dat bewijzen Azza El-Hassan, Mai Masri , Elia Suleiman, Ali Nassar, Rashid Mashawari, Sobhi Zobaidi, Raed Al-Haellou en Ismael Al-Habbash. Palestijnse filmmakers zijn niet op één hand te tellen. Kortfilms, speelfilms, tv-films: de verscheidenheid is groot maar elke productie, ook de fictiefilm, heeft een documentair karakter. Aan de werkelijkheid is hier geen ontsnappen. Raed weet er alles van. Zijn productiebedrijf Star 2000 doet tijdens curfews geregeld dienst als hotel. Als hij ons op zijn kantoor in Ramallah ontvangt, heeft hij net puin geruimd van een wekenlang verplicht verblijf tussen collega's, videocassettes en montagetafels. Zijn bedrijfswagen is beplakt met opzichtige tv- en pers-kentekens en een nummerplaat in de gekende diplomatieke kleuren. Die camouflage-ingrepen doen hem tijdens verrassingscontroles op checkpointvrije sluipwegen kostbare tijd winnen: de Israëlische soldaten zien zich verplicht hem te laten naderen en zodra ze oogcontact leggen, wordt het voor de doorgaans jonge rekruten moeilijk om hun wapens nog te gebruiken. Met de gebruikelijke intimidatie en beledigingen valt achteraf te leven.

‘Het leven hier is cinema', weet Raed. ‘En toch bestaat er geen filmcultuur. Tijdens de eerste intifada werden de bioscopen in Ramallah gesloten en een uitzondering daargelaten werden het allemaal parkeergarages. De tv houdt het bij Jordaanse soapseries en Egyptische “Hollywood”-films. Onafhankelijke Palestijnse filmmakers gaan gebukt onder jarenlang isolement in Israël én in de Arabische wereld. De Europese filmfestivals en tv-zenders bieden een uitweg in termen van financiering en vertoning, maar Europese coproducenten brengen Europese regels mee. En het besef weegt dat er onvermijdelijk politieke motieven spelen om Palestijnse films te tonen, of niet te tonen. In die zin betekent de projectie in Palestina de ultieme test want hier is een Palestijnse filmmaker gewoon een filmmaker, en een Palestijnse film gewoon een film.'

Bij Star 2000 is ‘gewoon een film' daarom nog geen gewone film. Het onafhankelijke huis houdt een reputatie hoog van kritische auteurdocumentaires met weinig interesse in geijkte tv-formaten. In Live from Palestine bericht Rashid Mashawari over het wedervaren van een radiostation in Gaza. In A Number Zero rapporteert Saed Andoni vanuit zijn favoriete kapsalon in Bethlehem dat tijdens de zoveelste inval van het bezettingsleger als levend nieuwsstation dienst doet. In Challenge onderzoekt Nazir Hassan de impact van de massamedia op de beeldvorming van de Palestijnse zaak. Stuk voor stuk zijn het persoonlijke getuigenissen uit de frontlinie, en krachtige films vol vitaliteit en cinematografische klasse. Producent Raed volhardt: ‘Eén ding is zeker: de Palestijnse toekomst ligt nog niet vast en dus biedt de Palestijnse film evenveel mogelijkheden als moeilijkheden. De vraag is of we onze energie kunnen blijven bewaren. Buitenlandse reizen zorgen telkens voor nieuwe input maar tegelijk wordt het verschil tussen vakantie en het verblijf in deze gevangenis alsmaar groter en zwaarder. Het zijn niet zozeer de nieuwsberichten maar wel de alledaagse details van het bestaan in Palestina die ons deprimeren. Leven is hier nog gecompliceerder dan filmen.'