Het volgende gesprek kwam er voor Fröhliche Werkstatt, de tentoonstelling waarin Gorik Lindemans de inhoud van zijn werkplaats verplaatst naar die van SQUARE. Omdat dit werk en deze tentoonstelling draait rond eerlijkheid willen we ook in dit gesprek niets achterhouden. Daarom krijgt u twee versies: hieronder een snelle om te lezen en als pdf een eerlijke om uit te pluizen. De eerste is het resultaat van een gesprek en de e-mails die erop volgden. De tweede versie toont het proces achter dat redigeerwerk.

 

 

 

Over ‘Fröhliche Werkstatt. Symphonie für Gemälde’.
Gorik Lindemans in gesprek met Pieter Van Bogaert

Eerst iets over je nieuwe werk? Waar ben je nu mee bezig? Wat wil je tonen in ‘Fröhliche Werkstatt’?

Het werk is niet echt nieuw. Ik maak blijkbaar toch altijd hetzelfde… In mijn laatste werk focus ik op de eerlijkheid van het kunstwerk en van de kunstenaar. Het is iets waar ik behoefte aan heb als ik rond me heen kijk in de kunstwereld. Ik keer terug naar heel eenvoudige natuurstudies. In ‘Fröhliche Werkstatt’ wil ik veeleer van alles tonen, een veelheid aan verschillende dingen en verschillende pistes. Daar zitten zelfs dingen bij die ik vroeger gemaakt heb en die ik nu herneem. Het is een volwassen kijk op vroeg werk, met een rijpingsproces van dertig jaar… De andere dingen zullen ook eerder picturaal zijn, schilderijen; vandaar de ondertitel: ‘Symphonie für Gemälde’. Maar ze verschillen eigenlijk in niets met wat ik tot 2000 deed. Ik heb gewoon de draad opgenomen waar hij was blijven liggen.

Maar het is wel vrolijk? Je bent je aan het amuseren ?

In de fond heb ik wel een vrolijk karakter, en mijn werk ziet er vaak vrolijk uit, maar ik weet niet of dat amusement is. Dat plezier zit er wel in, maar het komt niet in de eerste plaats. Het is niet zomaar van “dat vind ik lollig, dat ga ik doen”. Er moet iets interessants bij zijn. Een reden, een grond, een onderzoek, een nieuw inzicht,… Ik kan me daar serieus in vastrijden. Ik hou wel van moeilijk. Dat is ook zo in mijn keuze van muziek, films of literatuur. Als het maar niet té moeilijk wordt.

Eerlijkheid

Je werkt nu rond de notie van eerlijkheid. Is het interessant om dit te koppelen aan begrippen als objectief of subjectief? Ik herinner me van jou vooral heel persoonlijke beelden – bijzonder subjectief – terwijl ik eerlijkheid eerder associeer met objectiviteit… Misschien zijn deze beelden eerder integer dan eerlijk?

Ja, het lijkt een contradictie in de kunst: hoe subjectiever hoe eerlijker. De eerlijkheid die ik bedoel, hangt samen met de manier waarop dingen gedicteerd worden. Als commercie of mode de kunstenaar dicteert is hij niet eerlijk bezig. Tenzij hij toegepaste kunst maakt. Zelfs de niet-commerciële markt mag de kunstenaar niet dicteren. En ook “de taal van de curatoren” niet, zoals tegenwoordig. Kunsteffect! Dan wordt kunst zo doorzichtig, en dat verveelt me verschrikkelijk. Dat geldt trouwens ook voor mezelf. Van zodra ik iets goed kan, heb ik het heel moeilijk om daarmee door te gaan.

En toch zei je daarnet dat je altijd hetzelfde doet.

Ja, met “hetzelfde” bedoelde ik die“verschillende dingen”, vele probeersels. Dat zijn vaak dingen die onaf zijn. En dan toon ik slechts het proces. Neem ‘Hilde slaapt’ (1995). Dat was eigenlijk een technisch zoeken van hoe ik met verf aan mijn vingers, iemand kon nastrelen op papier. Er was één echt goed resultaat waarmee ik achteraf had moeten doorgaan, maar dat gebeurde niet. Van zodra ik iets goed kan, of het een systeem wordt, interesseert het me niet meer zo. Ik stop er ook dikwijls mee uit ontevredenheid. En dan doe ik weer wat anders. Dat is in veel opzichten jammer, maar zo is het.

Waarom is dat jammer?

Omdat er zo geen oeuvre ontstaat, maar alleen probeersels. Een oeuvre is een zekerheid voor een galerij en zou voor mij geld kunnen opbrengen. De dingen die ik maak brengen niets op. Het is altijd opnieuw beginnen.

Je toont wat normaal gezien achter de hand wordt gehouden. Men zou het onkunde kunnen noemen of onwil: iets niet kunnen of willen afmaken. Maar toch. Als ik laatst ‘Les oiseaux d’Eudes’ zag bij CLJP, was dat toch een reeks die af was.

Af ja, omdat ik transpicties maakte van één volledig boek, op dezelfde manier. Ik wou die zestig toepassingen als resultaat zien. Sommige toepassingen waren niet zo interessant en die had ik er moeten uitlaten. Maar ik vond dat het één geheel moest zijn, trouw aan het boek en aan de aquarellen van Eudes. Dat was juister, eerlijker. Maar transpictie op zich heeft nog vele mogelijkheden.

Er zit iets zeer altruïstisch in je opvatting over eerlijkheid.

“Eerlijk werk”, betekent niets achterhouden. “Goed” en “fout” samen tonen, in alle openheid. Gewoon tonen wat je kan, en wat niet. Zonder dat te gaan verheerlijken want onkunde is ook vaak maar een stijltje . Matisse en Bonnard hadden een zeer academische opleiding, maar veroorloofden zich om bewust fout te werken; ze waren immers met Abstractie bezig. Ik wil enkel mijn capaciteiten en mijn beperkingen tonen.

In die nieuwe serie ‘Thuistekeningen’ maak ik per werk vier tekeningen; het is gewoon een vel papier in vier gevouwen, met op ieder kwart een tekening. Doordat er vier tekeningen zijn, merk je dat sommige minder zijn in kwaliteit. Wat de norm van de toeschouwer ook mag zijn, die zal anders zijn dan de mijne. Maar de toeschouwer zal sowieso een verschil zien tussen de vier werken. Door de vier samen te houden, ‘goede’ en ‘foute’ tekeningen, wordt het eerlijker.

Het is eigenlijk een doorschuiven van het oordeel van de maker naar de kijker?

De kijker heeft altijd het eindoordeel, nee? Ik vind die handelingen bij het wisselen wel belangrijk, het dwingt tot zorg, liefde en respect. Die betrokkenheid wordt fysiek.

Ik heb het gevoel dat je die dingen zeer snel maakt. Soms lijkt het alsof je halfweg het werk stopt.

Ik werk inderdaad snel. Maar stoppen stel ik zo lang mogelijk uit. Ik ben geneigd om er toch iets van te maken. Met het risico het zo te verknoeien. Maar het gebeurt dat ik bij het tekenen, een “foute” of een “goede” tekening aan het faken ben. Dan beslis ik, nogal geïrriteerd, om ermee te stoppen. Elk van de vier tekeningen is een eerlijke poging tot waarnemingstekenen en elke tekening zal iets anders tonen, op een andere manier of met een andere techniek. Eigenlijk is het concept belangrijker dan de tekening.

Fröhliche Werkstatt

Terug naar het begin. Deze tentoonstelling. De titel.

Die komt van Richard Strauss: ‘Fröhliche Werkstatt, Symphonie für Bläser’. Het stuk werd geschreven op het einde van zijn leven voor een harmonie van blazers. Hij had al eerder een symfonie voor blazers geschreven toen hij er slecht aan toe was. Die heette ‘Aus der Werkstatt eines Invaliden’. Ik wil het met mijn ‘Fröhliche Werkstatt’ over veelheid hebben en het teruggevonden plezier.

Ik las dat dit werk Strauss’ therapeutische terugkeer was naar de oude meesters van barok en klassiek. Wordt dit jouw therapeutische terugkeer naar de geschiedenis?

Kan best. Ik weet het niet. In feite ben ik toch wel erg klassiek en hecht ik veel belang aan compositie en inhoud… De therapeutische terugkeer zie ik eerder naar mezelf, naar mijn eigen vrolijkheid. Ik kijk graag naar oude meesters, maar meer om technische redenen. Ik haal er geen inspiratie uit. Voor mij begint kunst pas na de uitvinding van de fotografie. Ik ben erg twintigste-eeuws, de post-Freud wereld. Met jonge kunstenaars heb ik zeer weinig. Ik voel me meer verwant met de generatie Geys-Bijl-Copers.

Exposeren in een werkkamer tussen de boeken is ook een terugkeer naar de geschiedenis; de jouwe dan.

Ik heb inderdaad veel met boeken gewerkt. Het heeft met mijn burgerlijkheid te maken, mijn huiselijkheid. Het gaat om de intimiteit. Het intellectuele. Het asociale ook. De vlucht uit de realiteit. Wat me bij boeken zo boeit, is hun sfeer. Ik gebruikte meestal kijkboeken en probeerde het gevoel dat het boek in zich draagt te vertalen naar een video (‘Die Karpaten’ (1991), ‘Le Nord, L’Europe et le Monde’, (1992)). Of het boek was onderdeel van een ruime audiovisuele installatie (’Billy Turf???’ (1991), ‘“Ongs Stad” Zicht op Antwerpen anno 1991’ (1993)). Soms was de inzet: hoe lees je/begrijp je een boek, een portret van een boek (‘FLANDERN Das Germanische Volksgesicht’ (1991)). Soms een boek per pagina ingelijst en weer samengesteld als picturaal spel (‘Femmes de Paris’ (1990), ‘Wollen Poppen’ (1994)). En voor de Gele Zaal in Gent was er een boek(je) als tentoonstelling: de potentiële expositie moest je maar lezen.

Ook exposeren in een werkkamer lijkt me een juiste keuze. Het gaat over ‘work in progress’. Ook als moment in je onderzoek lijkt me dit een juiste keuze: een plek in de overgang. Een presentatie zonder tentoonstelling te zijn.

Het dagdagelijkse intieme trekt me aan bij die keuze. Het is een belangrijk gegeven in mijn werk. Daarom denk ik dat boeken er zo vaak in voorkomen. Maar ook de tuin, of de huiskamer spelen daarin een rol. Daar zijn mijn laatste werken immers tot stand gekomen. Vandaar ook het kleine formaat. Dat alles samen klopt wel met die locatie van je werkkamer, die niet zo veraf staat van mijn eigen ‘Fröhliche Werkstatt’, mijn huiskamer, die eigenlijk onze eetkamer is.

Huiskamerkunst is, zoals bij René Magritte, vaak puur uitvoerend. Als een 9-to-5-job. Dat was zo met die vogels van Eudes. Ik wist wat ik moest doen. Tien stappen in photoshop en klaar. Best saai werk. Die schilderijen van bustickets zijn ook een soort seriewerk. Maar het is fantastisch om bezig te zijn met een gegeven dat je door en door kent. Het zingen van oude hits. Dat is wel nieuw voor mij en toegegeven: het is heel plezant.

Doe je dit nu voor je eigen plezier of doe je dit voor een publiek?

(Lacht en denkt na) Beide. Dit is plezierig voor mezelf en waarschijnlijk ook verkoopbaar werk. Dit hernemen is eigenlijk puur therapeutisch begonnen. Ik zat serieus in de knoei met mijn ‘eerlijkheidsonderzoek’ en in dezelfde periode overleed mijn vader én mijn broer. Het gat waarin ik zat was plots echt wel een diepe ravijn geworden. Dus dacht ik: “laat ik al dat zoeken maar laten voor wat het is en me met iets makkelijk bezig houden, weer bustickets schilderen”. Dat was een ware sensatie: altijd goed… en vreselijk tof om te doen... Soms geneer ik me bijna als ik leuke dingen doe. Ik ben ook heel blij met de techniek: lakverf op gelamineerd hout.

Het is werk dat je op verschillende manieren kan lezen. Als een esthetisch plezier: een compositie. Of als een werk met een verhaallijn: de busreis. En nu komt daar ook nog een stukje geschiedenis bij: de bustickets die je schilderde in de jaren tachtig.

Hm, ik weet niet of die link met een bus nog gemaakt zal worden. En dat vind ik eigenlijk wel positief. Zo komt de nadruk nu meer te liggen op kleuren, compositie,… waar ik toen ook mee bezig was: de abstractie. Maar toen zag men alleen de tickets en maakte men referenties naar Warhol en On Kawara...

Dat genietbare en verkoopbare facet staat toch wel haaks op je discours over eerlijkheid en effect.

Ik heb niets tegen de genietbaarheid of verkoopbaarheid van kunst. Alleen mag dat mij als kunstenaar niet leiden. En zo ver ben ik nog lang niet! (lacht)

Functionaliteit

Dat brengt ons opnieuw bij de vrolijkheid van Strauss en van de werkplaats. Als je over compositie spreekt is dat een link met de muziek?

Nee. Compositie in muziek is een compositie in de tijd. Het is één lijn met een begin en einde. Van zodra je iets hoort is het al weg. Bij beeldende kunst blijft alles. Het kunstwerk blijft als compositie en als voorwerp. Ik ben daar wel ooit mee bezig geweest, met muziek om te zetten in iets picturaals. Het zou een soort film worden. Één tijdslijn dus met veranderende kleurvlakken en lijnen.

Compositie is ook het onderwerp voor ‘Les oiseaux d’Eudes’

Ja, daar stond compositie centraal, die van J. Eudes dus. Die wou ik eren door ze te vertalen naar een ander picturaal medium. Het was de basis van de transpictie.

Klopt het als ik zeg dat daar een stuk leesbaarheid in zit en een stuk esthetisch genot? Het gaat over de grenzen van de leesbaarheid: op de grens van het abstracte en het figuratieve.

Het is inderdaad een abstraheren van de voorstelling: een vogel. Maar het esthetische blijft: kleur, lijn, compositie en andere artistieke intenties zoals voorgrond-achtergrond. Het gaat echt over het trouw volgen van een geschilderd origineel. Daar werden welbepaalde kleuren gekozen en richtingen en die moet ik behouden. Uit respect voor de auteur, net zoals de vertaler van een roman.

Bij ‘Les oiseaux d’Eudes’ had ik voor het eerst het gevoel iets onaantrekkelijks te zien van jou. Het kwam er echt op aan om na te denken en mee te volgen in de logica van het verhaal om het werk te appreciëren. Het is werk dat je moet begrijpen om te waarderen. Daarin verschilt het met je ander werk dat altijd iets onmiddellijk aantrekkelijk heeft qua presentatie, compositie,…

Dat was dan jammer. Want de appreciatie van kunst mag niet gebaseerd zijn op veel uitleg, vind ik. Ik streef altijd naar evidentie, ook al zijn er meerdere lagen. Maar iets aantrekkelijk maken, daar ben ik echt nooit mee bezig. Zelfs niet in mijn grafisch werk destijds. De aantrekkelijkheid, die een poster moét hebben, lag niet aan de mooie kleurtjes, hoor.

Ja maar, als je een boek maakt, kies je toch ook een kaft en een papier en een layout…

Een boek als ‘Om te stelen’ is inderdaad een mooi object geworden. Maar “mooi” is absoluut geen doel voor mij. Het ging mij om eenvoud en bescheidenheid. Een heel bloot boek qua afwerking, opmaak en inhoud moest het zijn. En een erg dik boek dat tegelijk licht was.

Functionaliteit dus…

Wel ja. Functionaliteit om tot de essentie te komen in plaats van esthetische effecten.

De kracht van je werk zit voor een stuk in het gebruik van verschillende media en technieken. Maar altijd doe je dat als een amateur. Daar zit een grote dosis handigheid in, maar ook onhandigheid. Speelt die onhandigheid een rol in het eindresultaat? De stomste accidenten die zorgen voor de beste kunst?

Ik wil geen onhandigheid cultiveren. Ik toon gewoon maar wat ik kan. Ik ga niet met mijn linkerhand of met mijn voeten tekenen om een nieuwe expressieve lijn te vinden. Maar ik ben wel handig. Alle handarbeid gaat vlot. Ik werkte vaak als vakman in de bouw. Mijn virtuositeit in de kunsten is eerder een probleem geweest. Het is hetgeen de leraars in de scholen altijd afraadden. Als één ding niet mocht, was het virtuositeit.

In die zin klopt het ook weer dat je stopt op het moment dat je iets onder de knie krijgt. Eerlijkheid in de zin dat je niet met opzet onvirtuoos kunst maakt, maar dat je stopt op het moment dat je dreigt virtuoos te worden.

Zelfs zo dat ik geneigd ben te stoppen op het moment dat het vruchtgebruik kan gaan opleveren. Sommige mensen zien dat als stokken in mijn eigen wielen steken. Maar daar ben ik ook niet mee bezig. Ik hoor wel eens dat ik ontgoochel op die manier, dat ik niet voldoe aan de verwachtingen. Terwijl ik alleen maar verder wil.

Herbeginnen

Als het gaat over herbeginnen, zijn je ‘Tuinmans tekeningen’ wel de referentie. Heel sober werk. Weinig materiaal, alles in de tuin… De soberheid is daar heel belangrijk. Alsof je het gevoel krijgt dat het werk bepaald wordt door zijn beperkingen.

‘Tuinmans tekeningen’ was inderdaad herbeginnen. Ik was vijf jaar uit de kunsten en dat waarnemingstekenen was nog véél langer geleden. De soberheid waar je over spreekt, herken ik wel in de techniek, maar niet in de tekening. Of toch niet als doel. Er was helemaal geen doel. Nu kan ik die tekeningen wel in een ruimer artistiek kader plaatsen. Toen niet. Het was herbeginnen. Meer niet.
Ik heb het eigenlijk niet zo voor soberheid, weinig, minimalisme, sacrale kunst… Ik wil meteen altijd verder gaan dan dat. Soberheid is vaak vals. Dat kan me ergeren. Ik zie dagelijks tientallen prachtige composities op straat, in de bouw, zo van die simpele om-het-even-spullen, onbedoelde kunstwerken, die werkelijk fantastisch zijn (wijst naar een stukje kronkelend garen op de tafel). Maar als ik dat dan in een galerij zie, vind ik dat al te gemakkelijk, vals, snob, kitsch.

Dan spreken we over het sacrale, niet over soberheid. Jouw dingen zijn sober, zonder sacraal te zijn.

O, dank u. Ja, de soberheid is dan deel van die functionaliteit. Deel van de eerlijkheid, de naaktheid, en niet de schoonheid. Het is geen wil sober te zijn. Soberheid is voor mij echt artistiek gemak. Serieus. Hoe langer je aan iets werkt, hoe moeilijker. De frisheid gaat verloren en je komt op zompig terrein. De allereerste van de ‘Tuinmans tekeningen’ was zo een bijna Japanse zen-oefening: enkele lijnen op de grens van het abstracte. Sober, sacraal… Zo had ik onmiddellijk een hele reeks kunnen maken maar dat zou pas vervelend geweest zijn.

Volgens mij ben je al je hele leven met “Eerlijke Kunst” bezig. Je herbegint gewoon weer met hetzelfde…

Ja, dat stel ik nu ook vast. (lacht) Het is pure onzin natuurlijk… “Eerlijkheid in de kunsten”… pft!

Maar heeft het niet eerder met afleren te maken? Om bepaalde handelingen uit te voeren? Handelingen. Alweer dat woord. Afleren handig te zijn.

Ik heb soms het gevoel dat ik in een vorig leven een Japanner was. Er is echt zo een vanzelfsprekendheid in omgaan met een penseel, het bekijken van een vlak… Ik las ooit ergens dat de kunstenaars, vroeger in Japan of was het China, moesten verhuizen als ze succes hadden om niet in routine en artistieke gemakzucht te vervallen. Daar zie ik wel mezelf weer in. Soms ben ik jaloers op een groot schilder als Raoul de Keyser, in zijn super-beperkt universum van doek, olieverf, penseel… vlakken, strepen, dotjes…
Misschien heeft het met geduld te maken.

Of met rusteloosheid. Vermijden dat je nu al weet wat je op je tachtigste gaat doen.

Tja, ’t is niet dat ik dat per se wil vermijden. Het is dat ik het niet kan.

 

(Brussel, september 2009)

 

lees hier de eerlijke versie van ditzelfde gesprek
lees hier over de techniek van de transpictie

lees hier meer over de tentoonstelling